Bedrijfshulpverlening (BHV)

Afdrukken
PDF

Bedrijfshulpverlening (BHV) en de ARBO-wet

Volgens de arbowet is de werkgever verantwoordelijk voor goede arbeidsomstandigheden voor zijn werknemers, zodat
er geen nadelige invloed is op hun veiligheid, gezondheid en welzijn. Sinds 1994 is het Besluit Bedrijfshulpverlening van kracht. Dit besluit verplicht de werkgever de bedrijfshulpverlening te organiseren. Eind 1999 is de Arbowet ingrijpend herzien. De uitwerking van de wettelijke voorschriften, onder meer op het gebied van bedrijfshulpverlening, is nu opgenomen in het Arbobesluit en de Arbobeleidsregels. Op grond hiervan dient een werkgever, afhankelijk van de aard en omvang van het bedrijf of het aantal bezoekers, één of meer werknemers aan te wijzen als bedrijfshulpverleners. Deze werknemers hebben de taak om in een situatie van gevaar voor de veiligheid of gezondheid maatregelen te nemen die de schade zoveel mogelijk beperken. De werkgever is en blijft verantwoordelijk voor de bedrijfshulpverlening en de veiligheid in het bedrijf.

Met invoering van de nieuwe arbowet in 2007 zijn met name de zogenaamde maatgevende factoren van belang geworden. Het is van belang dat de hulpverleners getraind worden op basis van de specifiek aanwezige risico’s binnen de organisatie. Deze specifieke risico’s worden zichtbaardoor het uitvoeren van een Risico Inventarisatie en Evaluatie (afgekort RI&E of RIE).

Het taakgebied van de Bedrijfshulpverlener (BHV-er) is vierledig:

  • Eerstehulp: het herkennen van gevaarlijke situaties en het treffen van de juiste maatregelen, in noodsituaties het slachtoffer kunnen verplaatsen, vaststellen wat er met het slachtoffer gebeurd is, geruststellen van het slachtoffer, zorgen voor deskundige hulp en het verlenen van eerstehulp.
  • Beperking en bestrijding van een beginnende brand: het gebruiken van veiligheidsvoorzieningen, kennis van de belangrijkste brandpreventieve maatregelen en voorzieningen, beperken en bestrijden van een beginnende brand, toepassen van de branddriehoek, kennis van ontwikkelen van brand en vooral weten wat wel en wat niet te doen.
  • Ontruiming: het begeleiden van een ontruiming, het gebruik maken van veiligheidsmiddelen, kennis hebben van het ontruimingsplan, kennis hebben van de vluchtroutes en het gebruik ervan en toepassingsmogelijkheden van vluchtmiddelen..
  • Communicatie/alarmering: het op een juiste wijze melden van het ongeval of de brand, interne communicatie, het verstrekken van informatie aan de hulpverleningsdiensten en het samenwerken met hulpverleningsinstanties.
Share